Stukje #9 ~ Post-kerst: en nu?

Jezus geboren en nu?

Gekomen en nu?

Wat betekent het?

Dat Jezus gekomen is?

Dat hij de komende is?

De gekomende is?

Dat hij er is?

Dat God met ons is?

Als een Immanuël?

Is het slechts een verwondering?

Een troostende blijk?

Een kracht van binnen?

Dat wellicht aanzet tot ’n daad?

Is het nu aan ons?

Om te komen?

Temidden van de pijn?

Het lijden en verdriet?

Van mensen klein?

Van de wereld groot?

Als een Abram?

Gezegend en een zegen mogen zijn? (Gen 12)

 

day-12-dec-8-566892_advent_image
Embrace ~ Pedro Cano

 

Stukje #8 ~ Wees een broeder van uw zwakke broeder

In den beginne van de bijbel vinden wij een stuk tekst, een verhaal, dat twee broeders van dezelfde moeder portretteert, die beide in geen enkele zin op de ander lijkt. Uiteindelijk zal dit leiden tot de eerste broedermoord, tenminste als wij de chronologie van de bijbel volgen. Het meest tragische is dat deze eerste broedermoord voorkomen had kunnen worden. De schrijver van het verhaal wijst ons namelijk op de bloedband (Kaïn en Abel zijn namelijk allebei afkomstig van Eva, die door middel van haar naam het leven symboliseert) en de sociale verantwoordelijkheid (de sterkere, oudere broeder Kaïn moet de taak op zich nemen, om zijn kleinere, jongere broeder Abel te overheersen d.w.z. “hem” bij de hand nemen en beschermen).

Deze werkweek tussen de derde advent en de vierde advent (waar het goddelijke – 3 – echt menselijk – 4 – aan het worden is is het manifest van de theologen Janneke Stegeman en Alain Verheij over een christendom zonder moslimhaat gepubliceerd en werd in de Tweede Kamer een debat gevoerd over de verruiming van de vrijheid van meningsuiting – mijn inziens – n.a.v. het Wilders-proces.

Voor mij waren deze twee nieuwsitems weer genoeg input voor mijn eigen reflectie over hoe ik de ander beschouw. Of misschien aardiger: hoe liever niet. Stel je voor dat ik zo behandeld zou worden.

Ik schrok bijvoorbeeld van de felle reacties die het manifest van hierboven in de radio-uitzending van Dit is de Dag (EO) opriep. Blijkbaar is zelfkritiek een akelig en kwetsbaar punt, en misschien zeker in een live-uitzending. De christelijke religie is ook niet altijd in een houding geweest om naar de hemel te schrijven. Tot op de dag van vandaag gebeuren er in de naam van de christelijke God nog vreselijke dingen. Ik moet altijd denken aan de Westboro Baptist Church in de Verenigde Staten als voorbeeld (zie bijvoorbeeld de knappe tweedelige documentaire van de Brit Louis Theroux The Most Hated Family in America). Het maakt mij bewust van de kieren binnen het imperfecte christendom en direct ook van de potentie tot groei en kunnen leren van de ander. Waar moslims telkens worden aangesproken op de – inderdaad – gruwelijke daden van IS, word ik als christen nooit aangesproken op dit mondelijke geweld van deze kerk in Amerika. Dat lijkt mij ook terecht, want ik heb helemaal niks met die club. De – voorgestelde – band tussen IS en alle moslims is – ten eerste – ook niet terecht.

4024249139_29c42e9a07_b

Het debat in de Tweede Kamer over de verruiming van de vrijheid van meningsuiting ging mij teveel over antisemitisme. Historisch gezien klopt deze link, in 1933 aan ons strafrecht toegevoegd voornamelijk ten aanzien van toenemend groepsbelediging van joden. Joden zijn op kleinere schaal nog steeds slachtoffer van dergelijke beledigingen (denk ook aan de politie bij synagogen en joodse scholen in bijvoorbeeld Amsterdam) – laat ik dat gezegd hebben-, maar er is nog een andere groep die bescherming van overheidswege op dit gebied hard nodig heeft: moslims. Vrijheid van meningsuiting zou niet moeten worden verruimd omdat men anders weer joden, gehandicapten en homo´s gaat beledigen (het kan wel een goede illustratie zijn, denk bijvoorbeeld aan representative thinking van Hannah Arendt).

Maar omdat wij op de dag van vandaag een juridisch proces hebben lopen tegen een politicus, die tot stand is gekomen door de belediging aan moslimzijde. Ik hoef u ook niet te wijzen op het verkiezingsprogramma van deze politicus, dat er zodoende op de dag van vandaag – in ieder geval bij mij – een notie is van verlangen om moslims staatsrechtelijk te beschermen tegen o.a. deze verkiezingsleuzen. Ik las vandaag in het artikel Wilders is een schijndemocraat: “de democratie gaat over de wil van de meerderheid, de rechtsstaat over de bescherming van de minderheid tegen de mogelijk tot willekeur leidende uitwassen daarvan.”

Ik roep op tot wees een nieuwe Kaïn – bewust van bloedband en sociale verantwoordelijkheid – van deze Abel, ofwel: wees een sterke broeder van uw zwakke broeder (sorry voor de mannelijkheid!). Laat uw aangezicht niet vallen naar de aarde (vs. 5), kijk niet weg van uw verantwoordelijkheid, maar kijk hem/haar in de ogen en neem hem/haar in bescherming.

Ik voel de urgentie. “All I want for Christmas is you…” 

Kijk verder n.a.v. het Kaïn-en-Abelverhaal, de bijbels-theologische uitleg van Ruben van Zwieten een mij naar het hart gegrepen:

Stukje #7 ~ Wat Tijs van den Brink kan leren van intersectioneel feminisme.

Gisteren (07-12) waren presentator Tijd van den Brink (EO), islamoloog Anne Dijk en predikant Paul Visser uitgenodigd om in de uitzending van PAUW een reactie te geven op het statement van Jeroen Pauw. Want tijdens de uitzending van 24-11  concludeerde hij dat de Heilige religieuze boeken voornamelijk tot geweld oproepen. Dat kon genuanceerder vonden de brievenschrijvers. De vraag is of zij dat ook kunnen. Nadat Paul Visser een christologische exegese had gegeven over geweld in de Bijbel, ontstond er vanuit de kant van Van den Brink – alsof de Bijbel ineens gevrijwaard was van geweld door Vissers exegese – een ongemakkelijk gesprek met Anne Dijk over het actuele geweld in de naam van de Islam.

Wat mij opviel is dat de houding van Jeroen Pauw afgelopen uitzending waarin hij ongenuanceerd een statement uitte over de Heilige boeken, gisteren door Tijs van den Brink himself werd overgenomen! Dezelfde kortzichtigheid, dezelfde ongenuanceerdheid waarmee hij Anne Dijk te lijf ging.

Je zou denken als iemand een brief schrijft met daarmee een bezwaar van bepaald gedrag dat diegene ook zichzelf kent op dat gebied. Pauw weet Van den Brink te strikken door een citaat uit zijn brief: “Dat je op dit moment van de geschiedenis niet enthousiast bent over de Koran, snap ik.” Vanaf dat moment – waar voorheen Paul Visser de ruimte kreeg om zelf  zijn verhaal te doen over geweld in de Bijbel – moet Anne Dijk zich verdedigen tegen het huidige geweld van moslims door Tijs van den Brink versterkt. “Het zijn er wel veel he (Terroristen). [..] Er gaan veel mensen door dood. Je moet je er dus wel op een of andere manier toe verhouden.” En later: “Jij bent van christen tot moslim geworden, denk ik niemand heeft daar moeilijk over gedaan. Als je in een moslimland woont en je probeert van moslim christen te worden, dat is wel link.” 

Een ding is duidelijk: het is nog knap lastig om op een meelevende wijze de ander te willen begrijpen, zonder in de tussentijd in een ongenuanceerde frame te vallen. Zowel lastig in de beweging van Pauw als “seculier” naar gelovigen, als van gelovige X naar gelovige Y.

Binnen het feminisme is er sinds 1989 een nieuwe tak zichtbaar: intersectioneel feminisme. D.w.z. zeggen dat “er behalve gender ook andere categorieën een rol kunnen spelen bij ongelijkheid.” Dit is interessant, in deze zin, dat in de strijd tegen ongelijkheid het kamp van het feminisme (in zoverre die bestaat als uniforme gemeenschap) en het kamp van bijvoorbeeld Black Lives Matter (idem dito) samenwerken in de strijd tegen ongelijkheid. (Uiterst summiere samenvatting van dit artikel op Stellingdames.nl, #leestip hoor.)

Ik dacht hieraan toen ik het polemische gedrag van Tijs jegens Anne Dijk zag. Waarom nou niet verzoenen en samen strijden tegen de ongenuanceerdheid jegens religies?

 Lees andere reacties n.a.v. uitzending PAUW (07-12):

 

Voor het gehele fragment: PAUW (07-12).

 

 

Stukje #6 ~ Kerst is niet slechts een “Throwback Thursday”.

Matteüs 3:1-12.

Deze bijbeltekst in deze periode van Advent (waar o.a. het kindje Jezus wordt verwacht) lijkt raar, alleen laat het – oecumenisch – leesrooster, voor afgelopen zondag gepland, goed zien dat het kerstfeest niet – slechts – het feest is ter nagedachtenis van de geboorte van het babytje Jezus in Bethlehem.

Baby’s staan symbool voor het begin van het geleefde leven. Baby’s in de bijbel staan symbool voor de betrokkenheid van God op het geleefde leven. Kijk is naar alle onvruchtbare vrouwen in de bijbel: Eva baarde samen met God een zoon, Sarah baarde een “lach” die wij kennen als Izaäk, Hanna baarde Samuël die zij weer teruggaf aan God, Elizabeth baarde de roep uit de woestijn enzovoort. Baby´s staan zo symbool voor een toekomst van hoop. dat de lijn van het leven doorgaat. Kerst wordt zodoende het feest van het begin, het begin van Jezus’ leven, en met deze tekst uit Matteüs ook begin van datgene wat duidelijk wordt met de bede: “laat uwe Koninkrijk kome”. Kerst is een kreet van verwachting. Een roep uit de woestijn. Een verlangen van hoop naar het begin van iets moois. Een teken dat het leven doorgaat.

cx35gtaxaaa4mvl

Het kerstverhaal herinnert ons niet slechts aan de feitelijke geboorte van het babytje Jezus in Bethlehem, in een preuts kribbetje. Het herinnert ons wellicht ook in figuurlijk zin dat wij een Bethlehem – een huis van brood – mogen zijn.  Met de woorden van de mystieke dichter en arts Angelus Silesius (1624-1677):

“Was Jezus duizendmaal in Bethlehem geboren, en niet in uwe ziel, zo waart gij toch verloren.”

Bethlehem, en zo onze ziel, is een plek waar hemel en aarde elkaar ontmoeten. Al eens eerder was Bethlehem, de stad van David, het begin van een koninkrijk naar Gods hart. En met onze ziel zal Bethlehem, eigenlijk, voor de derde keer het begin zijn van een koninkrijk naar Gods hart.

Kerst gaat dan, pedagogisch gezien, om de terugkeer naar het begin, de geboorte van je eigen geloof… De herinnering aan je eigen kreet van verwachting. Je eigen roep uit de woestijn. Je eigen verlangen van hoop naar het begin van iets moois. Tegelijk misschien ook de herinnering aan het moment en jouw eigen ervaring van misschien wel goddelijke geborgenheid. Het gevoel dat dit kerstverhaal ook jouw verhaal is.

Voor mij geldt zoiets als het begin van dit proces dat God – met zijn liefde onbevlekt – ontvangen is in mijn ziel en dat God telkens komen mag, telkens in Koninklijke (groots) en Bethlehem-achtige (van kleins af) sferen tegelijk. Waar bij Plato de ziel het transcendente behoorde op te zoeken en niet het immanente. Daar lijkt het bij Jezus dat het transcendente met het immanente idealiter samenvalt (of andersom maar dat zal men afdoen als menselijke hoogmoed). Op deze manier beaamt het transcendente de eigenschap van «Alfa én Omega». Blijkbaar gaat het transcendente mij niet alleen voor in het leven en wordt ik vervolgens na het leven opgevangen, maar ook tijdens het leven kan aanwezigheid Gods ervaren worden. Zoals men traditioneel zegt: “Zijn hand laat niet los wat Hij begon”.

Waar men wellicht op basis van existentiële ervaringen in deze geseculariseerde wereld neigt naar een Deïstische God (d.w.z. Zijn hand laat los wat Hij begon). Verleid ik mij ook soms tot deze gedachte, totdat ik het hopeloze nihilisme ervaar, waar het mij niet lukt om me hieraan ten volle toe te vertrouwen.

Kerst herinnert mij, zodoende, aan de vraag hoe de wereld zou kunnen zijn. Hoe ik als mens in den beginne, zo mooi en wijs, gedacht ben. Hoe mijn ziel zoals brood kan zijn voor anderen.

 

Stukje #5 ~ #Boerkaverbod is zeer kinderachtig!

Dinsdag 29 november j.l. stemde de Tweede Kamer in met een “#boerkaverbod” (eigenlijk: alle gezichtsbedekkende kleding) in het onderwijs, het openbaar vervoer, overheidsgebouwen en de zorg. Dat men dit in de media is gaan oppakken als #boerkaverbod is logisch vanwege het feit dat de boerka een idenitymarker is. Dit kan je in dezelfde sfeer niet zeggen over bivakmutsen en (integraal)helmen. Deze laatste vorm van gezichtsbedekkende kleding werd trouwens niet in het amendement van Bisschop (SGP) genoemd, wat uiteraard de nodige vragen kan oproepen als de overige twee in samenhang worden gepresenteerd.

Het geleefde leven gaat voor hen die regelmatig een bivakmuts of (integraal)helm in de hierboven publieke ruimtes dragen zonder kleerscheuren door. Terwijl de waarde voor hen die met name een boerka dragen in de publieke ruimte niet ligt in het feit dat het voor hen een modieuze of functionele keuze is of een resultaat n.a.v. hun sekse, maar ten eerste ontstaat de waarde voor het dragen van een boerka vanuit hun theologisch optiek wat zij zien als zedigheid, d.w.z. hoe je te gedragen en welke kleding te dragen.

Een lastig punt, herken ik, want de genderrollen worden door een boerka zichtbaar. Een lastig punt, vind ik ook, dat de waarde voor de boerka gereduceerd wordt tot de genderrollen in de Islam. Immers, als wij spreken van een religie, moeten wij wellicht ook de waarde voor de boerka ten eerste religieus interpreteren. Stel men had het tijdens het debat over de donkergetinte rokken van de orthodoxe vrouwen op de Biblebelt en men had overwogen dat de waarde ten eerste gaat over de genderrollen binnen de orthodoxe gemeenschappen, dan was het theolgische hek van de dam. In dezelfde zin gaat het hier om de theologische optiek wat zij zien als zedigheid.

d69f1775-3f2b-4b52-90c9-74a0605fb1dd

Uiteindelijk was dit natuurlijk niet de reden van Minister Plasterk voor een wetsvoorstel op een verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding – overigens noemde Plasterk dit in het debat gelaatsbedekkende kleding – in de publieke ruimtes, waaronder ook de boerka, want deze kleding kan beperkend werken als het ten koste gaat ten aanzien van dienstverlening en/of veiligheid. Ook hier weer een lastig punt. Allereerst begrijp ik de notie van dienstverlening, dat is belangrijk! Iedereen verdient goede zorg. Alleen in hoeverre resulteert het dragen van een boerka voor problemen in de dienstverlening? In het advies van de Raad van State en Nader Rapport aan Minister Plasterk opperen zij een soortgelijke vraag :

“Voordat tot een wettelijke regeling wordt besloten dient evenwel te worden nagegaan hoe groot de problematiek werkelijk is en op welke terreinen zij aan de orde is. Indien er een probleem is, dient te worden ingegaan op de vraag of overheidsingrijpen gerechtvaardigd is, of dat kan volstaan worden met andere, eigen (instellings-)specifieke oplossingen. Dit is te meer aangewezen, omdat een verbod op het dragen van gezichtsbedekkende kleding in bepaalde gevallen een beperking van het recht op vrijheid van godsdienst vormt.” (p. 3)

In dezelfde advisering van de Raad van State en Nader Rapport behandelen zij het onderwijs en de zorginstellingen als het gaat om gezichtsbedekkende kleding. In respectievelijke volgorde:

“De Afdeling wijst erop dat de gezamenlijke onderwijskoepels in het verleden hebben gesteld dat zij een wettelijk verbod niet nodig vinden, omdat zij het doel – goed en veilig onderwijs – zelf kunnen realiseren. Dat een onbekend aantal scholen na 2003 geen verbod heeft ingesteld, vloeit zeer waarschijnlijk voort uit het feit dat het fenomeen zich bij hen tot op heden nog niet op relevante schaal heeft voorgedaan, en dat zij er terecht vanuit gaan dat zij met hun interne ordebevoegdheden – voor het incidentele geval door middel van een concrete aanwijzing – voldoende middelen hebben om op te treden mocht dit nodig zijn. De Afdeling voegt hier aan toe dat aan het onderwijs traditioneel een hoge mate van vrijheid wordt gelaten om zelf de nodige maatregelen te treffen, zodat een wettelijk afgedwongen verbod daarmee in strijd is. Tegen een wettelijk verbod pleit verder dat er geen aanwijzingen zijn dat er in Nederland onderwijsinstellingen zijn die voorstander zijn van gezichtsbedekkende kleding op school.” (p. 4)

“Met betrekking tot zorginstellingen heeft de toenmalige Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in 2008 toegezegd na te gaan of het destijds voorgenomen verbod op gezichtsbedekkende kleding ook zou dienen te gelden voor de zorg, dan wel volstaan zou kunnen worden met een sectorspecifieke publieke maatregel, een maatregel van onderop of een oproep aan bijvoorbeeld artsenorganisaties. Omdat de regering noch de Tweede Kamer hier nadien op teruggekomen is, lijkt de veronderstelling gerechtvaardigd dat men zich in de praktijk goed weet te redden.” (p. 4)

Concluderend kunnen wij zeggen dat het wetsvoorstel eerder problemen zou gaan creeëren, dan het probleem ten eerste zou gaan reguleren. Immers, er is geen probleem: “men weet zich in de praktijk goed te redden.”

Op het punt van de onderlinge burgelijke communicatie, ofwel het intermenselijke verkeer, daar zou toch geen politiek wetsvoorstel over behoren te gaan? Kunnen wij, als burgers, in dit opzicht niet onze verantwoordelijkheid nemen? Ja, je kan kiezen voor de angst en het wantrouwen voor hen die zich hullen in gelaatsbedekkende kleding. Of, je kan kiezen om op hen af te stappen en een gesprek beginnen over waar de reis naar toegaat, over de dromen die gekoesterd worden of over de zorgen die het geleefde leven zuur maken. Al met al vind ik dit wetsvoorstel zeer kinderachtig! De overheid behoort niet als een politieagent te fungeren. Niet zij die gelaatsbedekkende kleding hebben behoren deze af te doen, maar wij die deze gelaatsbedekkende kleding ook een communicatiebedekkende kleding laten zijn behoren deze laatste af te leggen.